|
Betere inspectiebeoordeling van de leeropbrengsten van basisscholen is mogelijk, maar vereist betere achtergrondgegevens van leerlingen
Leeropbrengsten van scholen zijn mede afhankelijk van hun leerlingenpubliek. Daarom houdt de Inspectie van het Onderwijs rekening met het leerlingenpubliek bij het beoordelen van leeropbrengsten van scholen. De Inspectie kijkt daarvoor naar het aandeel gewichtenleerlingen op de school. Wanneer de Inspectie over meer achtergrondgegevens van leerlingen op basisscholen zou beschikken, zou er een beter oordeel over de opbrengsten van die scholen kunnen worden gegeven. Vooral de ouderlijke opleiding en de etniciteit van de leerlingen lijken een betere correctie op te leveren dan het aandeel gewichtenleerlingen op de school.
Correctie op basis van het aandeel gewichtenleerlingen
Bij de beoordeling van de leeropbrengsten van basisscholen kijkt de Inspectie van het Onderwijs naar het eindresultaat van leerlingen uit groep 8 (doorgaans gebaseerd op de scores van de Cito-Eindtoets basisonderwijs). De Inspectie betrekt daarbij de resultaten van drie opeenvolgende jaren. Omdat leeropbrengsten van scholen mede afhankelijk zijn van het leerlingpubliek op die scholen worden de uitkomsten ‘gecorrigeerd’ voor het aandeel gewichtenleerlingen op de school. Gewichtenleerlingen zijn leerlingen met laag opgeleide ouders.
Op verzoek van de Inspectie is in dit onderzoek nagegaan hoe de uitkomst van zo’n beoordeling van scholen zou zijn, wanneer er (ook) correcties plaatsvinden voor andere kenmerken van de leerlingen (zoals inkomen van de ouders, etniciteit, kenmerken van de buurt waarin de leerling woont) en/of wanneer een betere (meer precieze) indicator voor het opleidingsniveau van de ouders wordt gebruikt. Ook is nagegaan welke verschillen in uitkomsten er bestaan tussen eenvoudige en meer geavanceerde statistische modellen voor zulke correcties. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens van ruim 400 basisscholen uit het COOL5-18 cohortonderzoek ( www.cool5-18.nl ).
Ouderlijke opleiding (van alle ouders) en de etnische herkomst van de leerlingen leveren betere correctie op
Uit het onderzoek blijkt dat de manier van modelleren tot weinig verschuivingen in de beoordeling van de opbrengsten van de scholen leidt. De vraag voor welke leerlingkenmerken er gecorrigeerd wordt, is van meer belang. Vooral de ouderlijke opleiding (van alle ouders) en de etnische herkomst van de leerlingen lijken een betere correctie op te leveren dan het aandeel gewichtenleerlingen op de school. Het inkomen van de ouders en kenmerken van de buurt waarin de leerling woont voegen daar weinig meer aan toe.
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs over de genoemde achtergrondgegevens van leerlingen op basisscholen zou kunnen beschikken, zou er dus een beter oordeel over de opbrengsten van die scholen kunnen worden gegeven.
Meer informatie
Roeleveld, J., Mooij, T., Fettelaar, D., Ledoux, G. (2011).
Correctiefactoren bij opbrengstmaten in het primair onderwijs.
Rapport 868, ISBN 90-6813-930-3. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.
download - bestel
Contactpersoon
Guuske Ledoux, GLedoux@kohnstamm.uva.nl
Samenwerkingspartner
ITS (Radboud Universiteit Nijmegen)
Trefwoorden
basisonderwijs, onderwijsopbrengsten, eindtoets basisonderwijs, Inspectie van het onderwijs, correctiefactoren, correctiemodellen
|